maandag 28 april 2014

Miet en Griet 5

Bezoek aan de kaasmarkt

Tijdens het verblijf op de Jan van Speijk worden ze een enkele keer gestoord door toeristen die een kaartje hebben gekocht om de toren te beklimmen en om uitleg te krijgen over de functie van de lampen. Deze zijn vooral bedoeld om, wat betreft zandbanken en ondieptes, de kleine scheepvaart op zee tot hulp te zijn. De grote vaart maakt gebruik van satellieten en navigeert niet meer op de vuurtoren.
Over lichttherapie wordt met geen woord gerept. Die is blijkbaar alleen voor zandvlooien.
Griet doet een intensieve therapie en dat betekent, zeker voor een zandvlo, een rigoureuze aanpak. Twee weken onder de volle lampen van de vuurtoren doen wonderen. Tot grote vreugde van Miet, knapt Griet in razend tempo op en kan Twan zijn vriendinnen weer naar hun vlonder brengen.

Ze vieren Griet’s herstel met een bezoek aan de kaasmarkt.
Twan zet ze af op het dak van het waaggebouw van waaruit ze de hele markt kunnen overzien. Hij blijkt ook nog eens een prima gids te zijn.
‘De meeste mensen weten het niet, maar let op de klok. Om 11 uur heft de wachter die op de waagtoren staat zijn trompet en blaast een deuntje over de gracht. Dat doet hij drie keer per dag.  Hij is minder actief dan de toernooiruitertjes die draaien vlak achter hem ieder uur hun rondjes. Misschien iets voor Griet om aan mee te doen.
Maar nu eerst de kaasmarkt zelf.
Die figuur met zijn blikken ketting om de nek is de burgemeester, hij levert de wekelijkse gast om de kaasmarkt te openen. De ene keer is dat een beroemde Alkmaarder, de andere keer een ambassadeur van een bevriend land of de burgemeester van een zusterstad.
Vandaag is het Koen Verweij, dat blonde stuk dat zo goed kan schaatsen, die de openingsbel mag luiden. Moet je kijken hoe de meiden achter de dranghekken uit hun dak gaan.
Die man met de oranje hoed en een stok is de Kaasvader. Op deze plek is hij belangrijker dan de burgemeester. Hij is de baas van de vier vemen. Iedere veem heeft zijn eigen kleur dat zie je aan de berries en de hoeden van de kaasdragers.’

‘Wat een koddig loopje hebben die dragers’, zegt Griet. ‘Ik zou liever een keertje meedeinen op een kaasberrie, in plaats van op de rug van een ruitertje een saai rondje draaien.’
‘Dat heet de kaasdragersdribbel en alles kan met Twan. Ik werp jullie af op het rode veem en wacht op de hoek bij de weegschalen. Vliegen we daarna naar De Flamand voor een patatje, want dat wil ik niet missen.’
Miet knipoogt naar Twan, de therapie heeft goed gewerkt. Griet krijgt zowaar wat lef in haar vlooienlijf. Ze belanden tussen twee grote ronde kazen op de berrie van het rode veem en deinen lustig het Waagplein over op de dribbel van de dragers. Ze wiegen langs het publiek dat reikhalzend staat te kijken en foto’s maakt. Miet en Griet voelen zich net Willem en Maxima in de gouden koets.

In het waaggebouw, bij het wegen van de kaas, gaat het bijna mis. Miet verliest haar evenwicht, glijdt van de berrie en wordt bijna geplet onder het gewicht van vijf kilo. Behendig springt ze op zij en weet zo het vege lijf te redden. Griet staat lijkbleek toe te kijken. Was ze toch bijna haar steun en toeverlaat kwijtgeraakt. Miet slaat haar voorpootjes om haar zus.
‘Kom op, geen paniek, ik ben er nog’, zegt Miet en ze duwt haar het waaggebouw uit richting Twan, die kauwend op een kaaskorstje, staat te wachten. ‘Is er wat, jullie zien zo bleek, misselijk geworden van de deining?’
Miet vertelt dat ze aan een roemloos einde is ontsnapt. Vooral Griet moet het gebeuren verwerken. Slachtofferhulp is nog net niet nodig.

‘Lekker stel zijn jullie. Blijft dat zo? Bij elk uitje zo ongeveer aan de dood ontsnappen?
Weet je wat, om bij te komen varen we een eindje mee op de rondvaartboot. Daarna vlieg ik jullie naar huis.  Dat patatje haal ik dan vanmiddag wel.’

Terug in Egmond aan Zee, praten de zussen nog lang na over de kaasmarkt.
‘We gaan deze zomer nog een keer. Ik zou die bel wel eens willen luiden,’ zegt Griet.
‘Oh ja, en met welke beroemdheid zou je dat willen doen? Marco Borsato is vast al eens geweest.’
‘Wacht ik toch op Marco van Basten, de nieuwe trainer van AZ.’

zondag 20 april 2014

Miet en Griet 4

Griet neemt lichttherapie

Miet en Griet nemen hun intrek onder de vlonder van het strandhuis van Jan de Kwaker.
Ze weten uit ervaring dat ze daar de komende zomermaanden een goed onderkomen hebben.
Mocht er op het strand een zandkasteel verrijzen dan kan het zijn dat ze tijdelijk verhuizen. De meeste kastelen houden niet lang stand die worden in elkaar geprutst door klein grut met een emmertje en een schepje.
Verhuizen loont pas als de puberjeugd zich aan een bouwwerk waagt, maar dat komt weinig voor. De meesten liggen lui in het zand met een radio op volle sterkte en de blik op elkaars schaars bedekte lijven. Griet kan zich er wezenloos aan ergeren.

Voor nu heerst er rust onder de vlonder. Miet leest het Egmonder Sufferdje en maakt zich ondertussen zorgen om haar zus, die ligt bij te komen van alle avonturen.  Haar glimmende schild is dof geworden en ze slaapt liefst de hele dag.
Deze toestand moet niet te lang duren want voor je het weet lijden ze de hele zomer een saai bestaan. Ze wil het nog een dag aanzien, maar daarna moet er iets gebeuren. Misschien weet Twan een oplossing, die komt op zoveel plekken waar hij wijsheid opdoet.
Als ze ’s avonds met de meeuw onder een bankje zit legt ze haar probleem aan hem voor.

‘Dat klinkt niet best. We moeten zien die zus van jou weer op de pootjes krijgen. Om te beginnen haal ik straks wat paneermeel en knoflooksaus bij de visboer. Ik heb gehoord dat knoflook een gezond voedingsmiddel is, wie weet knapt ze daar van op. Ik wil haar morgen wel naar Bergen vliegen dan laten we die jongens van de dierenambulance even naar haar kijken.’
‘Is dat niet overdreven? De dierenambulance laten uitrukken voor een zandvlo?’
‘Welnee, die jongens zijn van het allesreddende soort, als ze de kans krijgen leggen ze een veldmuis nog aan het infuus. Vertrouw nou maar op mij. Het komt heus goed. Zorg jij maar dat Griet die knoflook slikt. Best kans dat ze het niet wil nemen vanwege de geur, ik begrijp dat ze daar nogal gevoelig voor is. Aan jou om haar van de noodzaak te overtuigen.’

Griet voelt zich zo belazerd dat ze tot alles bereid is om beter te worden. Stinkend knoflook, een nieuwe vliegreis, ze vindt alles best. Van de aandacht die ze krijgt lijkt ze al  een beetje op te fleuren. Diep in haar hart vindt Miet het voorstel van Twan maar niks. Twee vrijwilligers die zich over een zandvlo buigen.
’s Avonds leest ze in het Sufferdje een advertentie over lichttherapie bij oververmoeidheid en dreigende depressie. Dat lijkt haar voor Griet een betere behandeling. Lampen zijn altijd wel ergens te vinden. Twan kan haar desnoods op de straatverlichting dumpen.
Als hun vriend de volgende dag bij de strandopgang zijn opwachting maakt treft hij de gezusters met de krant in hun pootjes. Ze laten hem het artikel zien.
‘Meiden, die therapie ligt in jullie achtertuin. Wat zou je denken van de vuurtoren. Ik zet jullie er vanavond nog af, als ik de catering verzorg kunnen jullie er met gemak een paar weken doorbrengen. Prachtig uitzicht over zee en het achterland en ’s avonds en ’s nachts kan Griet net zo lang verlicht liggen als ze wil. 'Jan van Speijck', het resort voor zandvlooien om van een dreigende depressie te genezen. Wat wil een vlo nog meer.’

Miet zegt niks. Lichttherapie prima, maar een paar weken in die toren wonen, is andere koek.
Zoals gewoonlijk schikt Miet zich in haar rol om voor zuslief te zorgen.

Een gezonde Griet levert veel meer plezier op. 

maandag 14 april 2014

Miet en Griet 3

sluiten vriendschap

Als de zusters Zandvlo in IJmuiden, nog namokkend van boord gaan, lopen ze Twan Zeemeeuw tegen het lijf. Ze kennen hem oppervlakkig van de boulevard in Egmond.
Hij stroopt de hele kust af om aan de kost te komen en ook landinwaarts is hij vaste gast. Twan is een schreeuwlelijk en voor de duvel niet bang, maar er klopt een groot sociaal hart in deze vogel. ‘Wat kijken jullie narrig. Was het festival niet naar de zin? Ik heb me er kostelijk vermaakt en het eten was prima.’
Griet vertelt van haar act op het rouletteballetje en hoe dat afliep. Twan’s krijsende lach schalt over de pier. ‘Spring op’, zegt hij. ‘Ik vlieg jullie naar huis, of ik nou hier wat rondscharrel of in Egmond, het is mij om het even. Ik vlieg achter de duinen langs dan kunnen jullie genieten van de bollenvelden en bijkomen van het avontuur. Het is een zee van kleuren tussen Castricum en Egmond.’
‘En geuren’, zegt Griet. ‘Ik krijg hoofdpijn van hyacintenlucht.’
‘Zeur niet, Griet, we krijgen een lift naar huis. Het scheelt minstens twee dagen reizen.  Je knijpt boven de hyacinten maar even je neus dicht.’

Tijdens de vlucht scheert Twan over de bollenvelden en waarschuwt Griet als hij een hyacintenveld in het vizier krijgt. Van een eventuele vlooienmigraine wil hij de schuld niet krijgen en het lijkt hem voor Miet ook geen pretje. Die heeft zo al de pootjes vol aan haar zuster.
Vanaf hun plekje tussen de veren zien Miet en Griet van alles onder zich voorbij trekken. Ze wijzen op een rood ovaal gebouw.
’Dat is het voetbalstadion. Voor een meeuw gevaarlijk grondgebied. Tijdens de wedstrijden ben je er niet welkom en als je daarna probeert de grasmat met je poten om te woelen ben je je leven niet veilig. Mijn neef Jonat is er vleugellam geraakt. Een vogel die niet kan vliegen is ten dode opgeschreven.  We brachten hem naar dat andere grote gebouw, wat je vanaf hier ook kunt zien, dat is de vuilververbrandingsoven van Alkmaar. Het Mekka voor meeuwen, daar is het een komen en gaan van vuilniswagens en dus is er voldoende voedsel voor mij en mijn kornuiten. Jonat heeft daar een vaste stek en redt zich prima. Ik kan jullie wel eens meenemen op excursie.’
Miet ziet meteen mogelijkheden voor een langere vlucht, naar de Achterhoek bijvoorbeeld, en hapt toe.
Griet lijkt het maar een gore bende en sputtert tegen, de lucht daar is vervuild en niet goed voor je longen. ‘Longen? Hebben wij die dan?' vraagt Miet. ‘Waar moeten we die laten in onze kleine lijven. Jij hebt altijd wat te zaniken en vergalt een hoop plezier. Ga lekker onder de vlonder van Jan de Kwaker zijn strandhuis zitten kniezen. Ik ga met Twan op pad als hij dat vraagt.’
‘Meiden, ik ben een lawaaipapegaai met een grote bek, maar heb een hekel aan ruzie, denk er maar eens over. Misschien moeten we beginnen met een bezoek aan de kaasmarkt. Dat is rustiger en heeft wat meer standing. Moet je mij nou eens horen. Een meeuw die over standing praat. Kul natuurlijk want ik hang daar rond om ordinair te foerageren, dat gedoe met die berries, de malle loop van de kaasdragers en het luiden van de bel zal mij een zorg zijn. Ik kom daar om bij De Vlaming een patatje te scoren en bij de Mac haal ik een blaadje sla. Met een beetje mazzel laat een toerist een stroopwafel vallen en zie daar, Twan’s driegangenmenu is compleet. Om je vliezen bij af te likken. Tot september elke vrijdag prijs.’

‘Breng ons nou eerst maar naar huis’, zegt Griet. ‘Ik moet bijkomen van alle gebeurtenissen. Varen, rondjes draaien op de roulettetafel en een vliegreis, het is voor mijn zwakke gestel genoeg geweest.’
Miet haalt gelaten haar schouders op. Ze kent haar plek. Voorlopig maar even gas terugnemen, maar niet voor lang.
‘Kom donderdag even langs,’ fluistert ze Twan in zijn oor. ‘Eind van de week is ze wel weer voor een uitje te porren.’

dinsdag 8 april 2014

Miet en Griet 2

enteren een cruiseschip

Terwijl het zandvlooienfestival in volle gang is en Miet op de beat van de Vlooienband uit haar dak gaat, laat Griet in de beautykraam haar schildje poetsen. Het is duidelijk dat de organisatoren van dit feest goed hebben rondgekeken op het strand van Almere tijdens de Libellezomerweek. Er is voor elk wat wils.
Na de behandeling vlijt Griet zich in een kussen van een comfortabele loungebank.
Ze heeft uitzicht over de Noordzee.
Op de rede ligt een cruiseschip te wachten op de loods om naar binnen te varen.
Griet mijmert weg, een tripje op zo’n loveboat staat al jaren op haar verlanglijstje.
Miet die uitgedanst is, zakt moe maar voldaan naast haar neer. Griet merkt het niet.
Als Miet haar waas voor ogen ziet, weet ze hoe de vlag erbij hangt. Griet droomt van een cruise. Voorzichtig schudt Miet aan haar zus die verdwaasd naar haar opkijkt.
‘Wakker worden, Griet, als we snel zijn kunnen we in de broek van de loods meevaren naar dat schip. Wat denk je is een trip door het Noordzeekanaal naar Amsterdam ver genoeg om je honger naar een cruise te stillen?’
Griet bedenkt zich geen moment, springt op en is al op weg naar de loodsboot.
Het gaat Miet helemaal naar de zin, want dit uitstapje gaat ervoor zorgen dat zij deze zomer naar de Zwarte Cross in de Achterhoek kan. Voor wat, hoort wat. Griet houdt niet van dat wilde gedoe, vorig jaar heeft ze het feest nog kunnen tegenhouden, maar dit jaar gaat haar dat niet lukken.

De gezusters worden probleemloos aan boord van de Bella Vista geloodst. Ze gaan meteen naar het casino en bekijken de mensheid, dat hier keurig gekleed, probeert zijn verdiende geld kwijt te raken.
Griet, bescheiden en meestal op de achtergrond, raakt zo enthousiast dat ze op het rollende balletje springt en als een volleerde kermisklant draait ze gillend rondjes. Ze komt op nummer 33 zwart tot stilstand, waar haar glimmend gepoetste schild het licht van de kroonluchter weerkaartst. Ze hoort een gil en iemand roept; ‘Gadverdamme een vlo, croupier veeg dat beest van tafel.’
Griet weet net op tijd weg te springen en eindigt op haar rug in het hoogpolig tapijt.
Miet heeft het van een afstandje zien gebeuren en is woedend. Ze trekt haar zuster aan de voorpootjes overeind en scheldt haar en passant de huid vol. ‘Ben jij helemaal gek geworden, als een idioot rondjes draaien op de roulettetafel, dat is vragen om ontdekt te worden. Het is bij jou altijd alles of niets.
Ze denken nu vast dat er een vlooienplaag aan boord is, die lui weten niet dat wij maar met z’n twee├źn zijn. De kapitein krijgt bij voorbaat al jeuk als hij aan de krantenkoppen denkt. 'Vlooienplaag op cruiseschip'  Die stuurt de jongens van Rentokil met hun verdelgende middelen op ons af. Dat gaat ons geheid de kop kosten, we sterven een benauwde dood.
Wegwezen hier. Je hebt je maidentrip mooi naar de filistijnen geholpen. We zoeken een vrachtschip en gaan terug naar de kust.’

Miet heeft zwaar de pest in. Griet doet het zwijgen toe. De Achterhoek is verder weg dan ooit. 




vrijdag 4 april 2014

Miet en Griet 1

Twee zandvlooien, Miet en Griet wonen tijdelijk in een zandkasteel op het strand van Egmond aan Zee. Terwijl de zon het wateroppervlak raakt zitten Miet en Griet op hun balkon.
Griet leest het Egmonder Sufferdje waar nooit iets lezenswaardig in valt te zien en Miet mijmert over het jaarlijkse zandvlooienfestival in IJmuiden. Vorig jaar hadden ze daar groot succes met hun kwallenmoes op een bedje van zeegras. Dit jaar moet er iets komen wat die lekkernij kan evenaren.
‘Wat ik nu toch lees’ zegt Griet. ‘Weet je nog dat maanden geleden een zeecontainer met zwarte korreltjes aanspoelde? Sjef Kokkel, de eigenaar van restaurant 'Zeeschuim', schrijft er een column over. Hij verzamelde een schoenendoos vol van dat spul en zaaide het uit in zijn moestuin.  Nu blijkt dat het zaad van een exotische vingerplant is.
Tante Wiertje, die aanvoerder is van Sjef’s keukenbrigade, bedacht er een recept voor.
Heel Egmond lepelt van de vingerplantsoep die je bij Sjef kunt afhalen.’
‘Huh, Egmond aan een exotisch gerecht? Dat mag een wonder heten, Griet.
Egmonders houden niet van aparte zaken, daarbij zijn het echte visliefhebbers. 
Die soep moet goed spul zijn. Wij zijn hiermee uit het vraagstuk voor het festival in IJmuiden.
We versieren bij Sjef een pan vingerplantsoep en paaien daarmee alle festivalgangers.
Onze aanwezigheid daar, kan niet meer stuk.’

Griet, met haar kleinkorrelig denkraam, ziet meteen bezwaren.
'Hoe denk jij een pan met soep in IJmuiden te krijgen? Ik ga daar in geen geval mee zeulen. Kwal op een bedje van zeegras laat zich over water makkelijk vervoeren, maar soep van een vingerplant en ook nog eens in een pan, gaat over deinend zeewater niet lukken. Die is zuur geklotst voor we aankomen.'
'Griet, doe toch niet zo moeilijk, jij ziet werkelijk overal lijken drijven. We jutten een houtvlot en wat touw, sjorren het smaakvolle geheel goed vast en varen naar IJmuiden.'

Tevreden met zichzelf en het goede idee gaan Miet en Griet ter kooi in hun zandkasteel.
’s Morgens ontwaken ze, een eind afgedreven, op het basalt van de borstwering bij Petten.
Geen skyline van windmolens, maar de kerncentrale en zijn koeltoren is hun uitzicht deze ochtend. IJmuiden met zijn rokende schoorstenen lijkt ineens heel ver weg.
Zoals gewoonlijk springt Griet in haar stressmodus, maar Miet ziet al snel een oplossing voorbij komen. Fred van der Haast een marathonloper op trainingsronde biedt ze ongemerkt een lift. Ze springen op zijn veters en nog dezelfde dag zijn ze weer in Egmond aan Zee, waar ze een aantal dagen hun best moeten doen om een pan soep en vervoer te organiseren.
Op het strand is voldoende hout te vinden, want de Egmonders zijn bezig hun strandhuisjes op te bouwen. Als Jan de Kwaker zijn pan soep in het zand zet om een lang kletspraatje met de Jutter te maken, heeft hij het nakijken en moet hij zijn broodje paling droog eten.
Ondertussen peddelen Miet en Griet met aanlandige wind hun Gammapallet naar IJmuiden.

Een week later staat in het Egmonder Sufferdje het wonderbaarlijke nieuws dat Sjef Kokkel zijn soep, zelfs onder de meest extreme visliefhebbers in IJmuiden, een groot succes is.
Van zandvlooien moet je het hebben.